6a0147e057d826970b0168e80b3776970cAan mij is gevraagd om te spreken op dit symposium met als thema ‘Roaring Twenties’ en te reageren op het onderwerp ‘twintigers en succes’, naar aanleiding van het vermeende succes dat De snijtafel de afgelopen jaren genoot op internet.

Als ik ‘Roaring Twenties’ intoets op Google kom ik meteen op de Wikipedia-pagina van ‘de roerige jaren twintig’, de tijd waarin Amerika als wereldmacht opkwam en Duitsland zich in een diepe schuldencrisis bevond, hetgeen o.a. uitmondde in de beurskrach van 1929 en de grote depressie van de jaren dertig. In die zin voelt het toch een beetje gek om in de nasleep van een vergelijkbare economische crisis in te zoomen op het kleinschalige succes, een klein bloempje dat bloeide op de door die crisis veroorzaakte puinresten van het platgebrande cultureel veld.

De vraag is dan: hoe heeft dit bloempje kunnen bloeien in dit zwartgeblakerde landschap? En de subtekst is dan: geef ons dan toch een sprankje hoop, nu alles is verloren, zodat ook wij weer kunnen geloven in de mogelijkheid van een bestaan dat inhoudelijk gedreven is én toch succesvol kan worden.

Die hoop kan ik jullie niet geven. Wat ik wel kan doen is proberen uit te leggen waarom ik die hoop niet kan geven, in de hoop dat ik daarmee misschien des te beter beantwoord aan het onderwerp twintigers en succes.

Toen ik de organisatie vertelde van mijn voornemen niet in te gaan op het vermeende succes van De snijtafel, omdat mijn verhaal zich juist verzet tegen het idee ‘succesvol zijn’ en wat dat betekent, kreeg ik de volgende reactie (ik ga hier misschien een beetje buiten mijn boekje door een zin uit de mail te citeren, maar ik vond de uitspraak zodanig onschuldig en tegelijkertijd zo veelzeggend dat ik ’m niet kan laten liggen). Er stond:

‘Ik heb het even overlegd en dat is prima. We hebben ook nog iemand anders die zal vertellen over de struggles van succesvol zijn, dus zo hebben we ook in die zin variatie in het programma.’

Met onschuldig bedoel ik dat het motief zuiver is, en de argumentatie begrijpelijk. Met veelzeggend bedoel ik, dat je in deze ene uitspraak al ziet hoe hardnekkig succes in onze samenleving verankerd ligt. Eerst heb je geen succes, vervolgens streef je succes na, uiteindelijk ben je hopelijk succesvol; ‘je bent niet succesvol’ wordt automatisch ‘je bent nog niet succesvol’, en er kritisch op reflecteren wordt dan automatisch ‘de keerzijde van succes’ en ‘de struggles van succesvol zijn’.

De struggle van succesvol zijn; ik moet bij die woorden denken aan herkend worden op straat, de tabloids die over je privéleven schrijven, het second album syndrome en het writers block, dure villa’s en verwende kinderen, tanend succes, onafbetaalde schulden, facelifts om je schoonheid te waarborgen, enzovoort. Dergelijke worstelingen komen hoofdzakelijk voor bij makers die succesvol zijn ondanks hun talent. En makers die uitgaan van datgene wat ertoe doet hebben misschien weer andere worstelingen (hoe kom ik aan eten of waarom zou ik blijven leven).

Mijn idee van succes staat hier haaks op. Ik zou het als volgt te zeggen: Succes is grillig en onvoorspelbaar. Succes kan opeens ontstaan en dan opeens weer weg zijn, je hebt er geen grip op, het komt niet alleen of helemaal niet voort uit talent of inzet, en heeft vooral ook met allerlei niet in te schatten factoren te maken zoals toeval, geluk, samenwerkende partijen, het milieu waarin je opgroeit, traditionele en nieuwe media, de mate van openheid van de samenleving waarvan je onderdeel bent, de mate van conflict waarin die samenleving zich bevind ten opzichte van de rest van de wereld, het niveau van de cultuurkritiek, de huidige mode en je unieke marktpositie. Kwaliteit en succes hebben niets met elkaar te maken. Iets kan heel veel kwaliteit hebben en totaal onbekend zijn, zoals de liedjes van Theo Nijland. Maar iets kan ook kwaliteit hebben en heel erg succesvol zijn zoals de liedjes van David Bowie. En daar tegenover staat: iets kan verschrikkelijk slecht zijn en een heel groot publiek bereiken, zoals de liedjes van Nick en Simon. En iets kan verschrikkelijk slecht zijn en relatief onbekend blijven, zoals de liedjes van Jan Boezeroen.

Succes is niet goed maar ook niet fout. Succes is mooi meegenomen voor zover je daar bestaanszekerheid uit kan ontlenen. En natuurlijk is het mooi om door veel mensen gelezen en begrepen te worden. Zolang succes ‘gevestigd zijn’ betekent heb ik geen probleem met de term. Iemand kan succesvol zijn of niet, en dat is terecht of onterecht, en het heeft niet zoveel zin om het daar lang over te hebben. Belangrijker is het, om onszelf af te vragen in hoeverre redeneren in deze termen van succes, het bevestigen van succes, het stimuleren van succes, en vooral het afstraffen van uitblijven van succes, schadelijk zijn voor de kunst, het kunstenaarschap, en de wijze waarop kunst en cultuur op elkaar inwerken. Om daar achter te komen moet ik voor mijzelf bepalen wat ik dan onder kunstenaarschap versta.

II

Fragment: Encounters at the End of the World van filmmaker Werner Herzhog.

‘These pinguins are all heading to the open water to the right. But one of them caught our eye. The one in the centre. He would neither go towards the feeding grounds at the edge of the ice, nor return to the colony. Shortly afterwards we saw him heading straight towards the mountains, some 70 km away. Dr Anly explained that even if we caught him, en brought him back to the colony, he would immediately head right back for the mountains. But why? One of these disoriented or deranged pinguins showed up at the camp, already 80 km away from where it should be. The rules for the humans are: do not disturb or hold up the penguin, stand still, and let him go on his way. And here, he’s heading of into the interior of the vast continent. With 5000 km ahead of him, he’s heading towards certain death.’

In de intercity naar Amsterdam, in de vierzit schuin tegenover mij, zit een moeder met kind. Het kind plakt stickers in de vorm van boerderijdieren van de ene pagina op een vel met daarop een weilandtafereeltje op de andere pagina. Stippellijnen en hints manipuleren hem voor de door de maker van het boek voorgekauwde posities te kiezen: is de stippellijn in de vorm van een paard dan moet daar het paard komen, enzovoort, en ik begin me eraan te ergeren omdat ik in die irritante stippellijnen de wil zie van de maker om mensen een manier van denken op te leggen die de bezitter ervan, in dit geval nog maar een klein kind, in zijn vrijheid belemmert. Zelf trekt hij zich dan ook gelukkig niets aan van de door het boek voorgeschreven adviezen en plakt lukraak in het wilde weg zijn dieren op het veld, en ik bewonder zijn subversieve handelingen, kleine uitingen van creativiteit en vindingrijkheid dwars tegen de wil van maker in, als plots zijn moeder zich ermee begint te bemoeien: ‘nee Sjors’, zegt ze, ‘een koe hoort niet op het dak van de boerderij.’ De domheid van het boek krijgt de volle steun van de domheid van de moeder, door het kind ervaren als autoriteit, en omdat dit alles in de publieke sfeer plaatsvindt, ten overstaan van wel dertig medereizigers, zwicht Sjors voor de corrigerende tik en plaatst hij zijn volgende sticker conform de voorgeschreven stippellijnen.

Wat hoort is de norm, en de kunstenaar verzet zich ertegen. Educatief van aard of niet, het boek zet aan tot creativiteit, en de creativiteit bestaat erin dat je vrij bent om de adviezen te honoreren of te verwerpen. De moeder kan partij kiezen voor de rigide, rechtlijnige adviezen van het boek, maar ook voor de vrijheid die haar kind in feite heeft. Een koe kan op het dak staan van de boerderij, daar is niet eens het absurdisme, surrealisme of postmodernisme als verklaring voor nodig, dat is zelfs al binnen de wetten van het realisme, waar moeder en boek blijkbaar vanuit gaan, eenvoudig voorstelbaar. De jongen heeft geen schaar gepakt om alles los te knippen, door elkaar te husselen, om vervolgens elk vlak een complementaire kleur te voorzien, en de stickers te gebruiken om de vierkanten bij elkaar te houden. Hij is als kunstenaar in spe nog behoorlijk ‘mainstream’ met zijn koe op het dak.

Het incident deed mij denken aan een gesprek dat ik vorig jaar had met een collega op de didactische cursus HBO kunstvakonderwijs die ik rond die tijd volgde. Zij legde mij uit dat haar kind het maar moeilijk had op de lagere school. De juffrouw had die week aan alle kinderen gevraagd om van een eierdoos een kerstboom te maken. Iedereen had de eierdoos groen geverfd, alleen haar kind had rood gekozen, en dat werd hem niet in dank afgenomen. Zo hoort het niet, een kerstboom is groen. ‘Een kerstboom kan toch ook gewoon rood zijn?’ bracht de moeder boos in, partij kiezend voor het vrije denken, en ‘een kerstboom is toch ook geen eierdoos?’ maar daar wilde de juffrouw niets van weten, dit was een creatief vak, men diende van een eierdoos een kerstboom te maken en daarmee uit.

Wie buiten de gebaande paden loopt krijgt het al heel snel heel erg moeilijk in het leven. In het beeld van Werner Herzhog van de gestoorde pinguïn, of ontspoorde pinguïn, zie ik een metafoor voor kunstenaarschap. Daarmee wil ik niet zeggen dat een kunstenaar per se ontspoord is. Ik zie de kunstenaar, net zoals de wetenschapper of de filosoof, als dwarsdenker, of anders-denker, of eenvoudigweg: als denker. Iemand die brutaal of dwars genoeg is of durft te zijn, om desnoods tegen de stroom in te zwemmen als wat hij zegt geen bijval meer krijgt terwijl hij zeker weet dat hij op het juiste denkspoor zit. Dit beeld van de pinguïn vind ik sterk omdat zijn weg uiteindelijk net zo goed doodloopt, een zekere dood tegemoet. De kunstenaar (of wetenschapper, of filosoof) is kortom niet zozeer ‘beter’ of ‘slechter’ dan elk ander, het enige wat hem onderscheidt van de anderen is dat hij, omdat hij nu eenmaal niet verdeeld wil raken tegen zijn eigen opvattingen en gedachten, het lef toont om een andere weg in te slaan – desnoods een doodlopende.

Ook het woord ‘zekere’ vind ik in dit citaat een toevalstreffer. Wij gebruiken zekere vaak op een onzekere manier: hij was een zekere tijd ziek. Nu weten we niet precies hoelang hij ziek was. Certain death, een zekere dood. Zijn dood is een ding dat zeker is. Een kunstenaar weet iets zeker op een vaak onzekere, oftewel intuïtieve manier. Zekerheid op een onzekere manier, in een onzeker of ongewis veld; dat is kunstenaarschap.

Een rode eierdoos, of een koe op het dak. Het komt niet van de juffrouw die het streng zou verbieden of van de moeder in de trein, het komt vanuit een dieper besef, een intuïtie, dat het binnen de wetten van het mogelijke, dat wat je ziet en hoort, hoe je de wereld ervaart, en wat je eronder verstaat, niet onmogelijk is – hoezeer men ook met zekerheid het tegendeel beweert. Het is een protest tegen onnadenkende zekerheid of stelligheid vanuit onterechte of onverdiende autoriteit. In een essay uit 1969 schrijft Doris Lessing daarover het volgende:

‘Wat er idealiter, bij herhaling tegen elk kind gedurende zijn of haar hele schoolleven zou moeten worden gezegd, is iets in de trant van: “Jij wordt geïndoctrineerd. We hebben nog geen opleidingssysteem ontwikkeld dat geen indoctrinatiesysteem is. Het spijt ons, maar we kunnen niet beter. Wat jou hier wordt geleerd is een mengsel van gangbare vooroordelen en de keuzen van juist deze cultuur. Je hoeft maar even naar de geschiedenis te kijken om te zien hoe onbestendig die wel moeten zijn. Je wordt onderwezen door mensen die zich hebben kunnen aanpassen aan een denkregime dat hun voorgangers hebben voorgeschreven (powerpoint) Het is een systeem dat zichzelf bestendigt. Voor diegenen onder jullie die wat sterker en individueler zijn dan de anderen, zal het een aanmoediging zijn om eruit te stappen en manieren te vinden om jezelf te ontwikkelen – je eigen oordeel te ontwikkelen. Degenen die erin blijven moeten altijd en voortdurend bedenken dat zij worden gekneed en gevormd om in de bekrompen, specifieke behoeften van deze specifieke maatschappij te passen”.

(…) Degenen die dit wel aanvoelen en zich niet wensen te laten kneden, zijn geneigd eruit te stappen in een half onbewuste, instinctieve poging werk te vinden waarbij ze niet tegen zichzelf verdeeld zullen raken. Wij schenken bij al onze instellingen, van de politie tot de universiteiten, van de medicijnen tot de politiek, weinig aandacht aan de mensen die eruit stappen – dat niet eindigende eliminatieproces dat al heel vroeg diegenen uitsluit die vermoedelijk oorspronkelijk en vernieuwend zijn, terwijl degenen die zich ergens toe voelen aangetrokken omdat ze toch al zo waren, blijven.’

Om die reden kies ik automatisch partij voor het kind in de trein dat doorheeft dat zo’n conventie ‘koe staat in de wei en niet op het dak’ in feite onzin is, of het kind in de klas dat inziet dat indien een kerstboom geen eierdoos is, het net zo goed niet groen is. Ik ben geneigd om dat te koppelen aan een vroege blijk van hoge intelligentie. Deze hoge intelligentie wordt maar al te vaak ingekapseld door volwassenen die zich van geen kwaad bewust zijn maar weliswaar de regels bepalen, omdat zij de vertegenwoordigers zijn van de heersende orde, de machthebbers en poortwachters. Zonder hen kom je nergens en het systeem dwingt je voortdurend om je hoofd te buigen bij elk poortje; bukken voor een te laag poortje omdat het gebouwd is door incapabele mensen; en wie wijst op de constructiefout van het poortje waar je doorheen moet mag er niet doorheen en moet het over een jaartje nog maar eens proberen.

Tijdens een etentje vorige maand sprak ik – heel toevallig – de mevrouw die verantwoordelijk was geweest voor de pr voor het boek Antiglamour van Carice van Houten en Halina Reijn en op het idee was gekomen om ze ter promotie naar De Wereld Draait Door te sturen. In hele voorzichtige bewoordingen betoogde ik min of meer hetzelfde wat ik hier probeer te zeggen, en zij probeerde mij ervan te overtuigen dat ik het helemaal verkeerd zag: je moet als auteur iets doen, verzekerde ze mij, aan zichtbaarheid en presentatie. Hoewel ik het daarmee eens ben val ik over het woordje moeten: want anders? Anders verkoop je niet. En dan? Dan wordt je volgende boek niet meer uitgegeven. En dan? Ga je dan dood? Wordt je opnieuw geboren? Ben je dan af? Volgens mij heb je altijd twee of meerdere keuzes.

Hier zie je hoever de tumor die succes heet het lichaam van de Nederlandse cultuur heeft aangetast. Ik misgun het niemand om succes te hebben of dit volop na te streven of te beleven. Waartegen ik protesteer is dat dit hoort, dat dit de bedoeling is en dat er maar één weg zou bestaan. Nog geen twintig jaar geleden werden acteurs die in een reclame stonden om zo hun andere activiteiten te bekostigen nog met de nek aangekeken: dat waren geen echte acteurs, dat waren halve hoeren, en nu – nog geen twintig jaar later – wordt je voor gek verklaard als je niet meedoet aan het toneelstuk van de zichtbaarheid en presentatie, en wordt je kunstenaarschap er direct door bedreigd. Zo snel wint succes, en de drogredeneringen ten gevolge van het ontbreken ervan, aan terrein. Maar wat als je het niet eens bent met dat systeem waar iedereen aan meedoet? Wat als je van mening bent dat de kunstuiting zelf ertoe doet en dat de waarde ervan bepaald wordt door de waarnemer ervan – los van het circus eromheen?

Ik wil hier enkele citaten aanvoeren uit Het goede verhaal, een dialoog tussen J.M. Coetzee en Arabella Kurtz.

‘Kunstenaars – zangers, schilders, schrijvers – zijn degenen die bij mij het sterkst het idee van de subjectieve en intersubjectieve aard van beleving oproepen, die mij vertellen over hoe we niets anders dan onszelf kunnen zijn, als we maar het zelfvertrouwen konden vinden om ons dat te realiseren (…) De soort kunst waar ik van houd lijkt tegen me te zeggen: ‘kijk naar wat er om je heen gebeurt – de rijkdom, gedetailleerdheid en kleur, de schoonheid en de lelijkheid; blijf kijken en nadenken over wat je ziet, maar vergeet ook niet dat jij degene bent die kijkt, dat je een positie en een plaats hebt van waaruit je kijkt – en dat andere mensen die ook hebben. Neem die plaats volledig in. (…) Waar het om gaat is dat we allemaal ons eigen perspectief hebben (…) en dat we ervoor kunnen kiezen, in de verhalen die we onszelf over ons leven vertellen, daar min of meer trouw aan te blijven.’

De crux zit hem in dat woordje ‘trouw’. Waar Kurtz ons hier op wijst is, dat we ervoor kunnen kiezen trouw te zijn aan de waarheid. Hij gebruikt de dialoog met Coetzee, en daarmee het archetype van de kunstenaar (gedefinieerd als autonoom: zangers, schilder, schrijver) om ons erop te wijzen dat alle waarneming subjectief is, en dat de unieke positie van de kunstenaar zijn eigen waarnemingsvermogen is. Je kan daar natuurlijk eenvoudig mee valsspelen, maar je kan er ook toe besluiten trouw te blijven aan deze waarnemingen, zo trouw als je maar kan.

Dit is een strenge gewetensvraag aan iedere maker. Je weet zelf heus wel, diep van binnen, of wat je zegt klopt met de waarheid, oftewel de eerlijkste laag aan waarnemingen. Dat stelt de maker voortdurend voor een duivels dilemma, het dilemma dat scherp wordt gevat in het verhaal van Faust: blijf ik oprecht en integer als ik mij deze kleine leugen om bestwil laat aanleunen? Als ik mij dit allemaal laat welgevallen? Als ik instem met deze kleine mythologisering van mijn vermeende succes?

Ikzelf ben mij hier in ieder geval voortdurend van bewust, op het irritante af. Ik weet bijvoorbeeld dat ik deze spreekbeurt dank aan het vermeende succes van een internetfilmpje waarin ik dit mythologiseren streng afkeur. Als ik deze spreektijd vervolgens zou gebruiken om te hangen in dit succes, als ik de netwerkmogelijkheid te baat zou nemen om, ik noem maar wat, mijn roman onder jullie aandacht te brengen, om vervolgens in de foyer kaartjes uit te delen, dan zou ik mij daar zeer bewust van zijn. Zou ik hopen dat jullie mij terug gaan mailen, en zou ik hopen dat jullie die roman gaan kopen, dan zou ik er beter aan doen om in deze beperkte tijd goed over te komen, ik zou er goed aan doen mijn succes een klein beetje te bevestigen en overdrijven, ik zou er goed aan doen mij de door jullie toegeworpen complimenten aan te laten leunen, een oppervlakkig praatje te houden over wat er sindsdien allemaal op ons afgekomen is en hoe wij daarmee omgegaan zijn. Het probleem is: daar zou ik mij allemaal zeer bewust van zijn. En om die reden voel ik mij genoodzaakt om daar weerstand tegen te bieden; om met mijzelf in het reine te komen ten opzichte van de eerlijkste laag van waarheid, of zoals Lessing het zegt: niet verdeeld te raken ten opzichte van mijzelf.

Ik nam mijzelf hier als voorbeeld omdat ik alleen in mijn eigen brein echt eerlijk kan kijken. Maar ik durf wel te beweren dat iedereen van zichzelf heel goed weet welke afsnijroutes hij genomen heeft en welke prijs hij daarvoor heeft betaald. Ik veronderstel dat iedereen dit duivelse dilemma op enigerlei wijze herkent – bij zichzelf of bij een ander. Ik vraag mij af in hoeverre men zich er helemaal van bewust is, maar ik vermoed dat er zoiets als een stemmetje bestaat dat zegt: dit moet maar even, ik vind het ook lelijk, ik houd er zelf ook niet zo van, je moet nu eenmaal je werk onder de aandacht brengen, je moet nu eenmaal de handen uit de mouwen steken, je kan geen omelet bakken zonder de eieren te breken, je moet net als de rest ook maar even een nat pak halen, enzovoort.

Je wordt er niet direct op afgerekend, maar dat betekent niet dat men het niet ziet of doorheeft. Het vermeende succes kan je te allen tijde weer ontnomen worden, bijvoorbeeld als je opeens kritisch wordt. Er bestaat geen short-cut naar succes zonder deze constante dreiging en dat maakt je als maker kwetsbaar.

Daarmee wil ik niet zeggen dat succes intrinsiek gevaarlijk is. Het gaat erom niet succes als doel na te streven. Je kunt best succesvol en tegelijkertijd integer zijn. De vraag die je jezelf kan stellen is: wanneer staat dit succes op gespannen voet met kunstenaarschap? Wat heb je ervoor ingeleverd en wanneer ben je dat verloren?

Het enige wat er uiteindelijk werkelijk toe doet is: is iets goed, ja of nee? Is iets waardevol of behoort het tot de onzinlaag. Dat dien je uiteindelijk ook zelf te beoordelen. Het enige wat je hebt is je eigen subjectieve waarnemingsvermogen. Op die manier wordt succes mogelijk ooit de term die wij gebruiken voor datgene wat ertoe doet. Als uiteindelijk De snijtafel op enigerlei wijze ertoe heeft bijgedragen dat men dit zelf leert beoordelen, zonder blind te varen op vermeende wapenfeiten, dan beschouw ik het project als succesvol.

Zie de onzinlaag als een dikke laag sneeuw. Over twintig jaar is de onzinlaag gesmolten. De vraag is dan: blijft datgene wat je waardevol vond liggen als de onzinlaag gesmolten is? Alle rest doet er niet toe. Je loopt sowieso een zekere dood tegemoet.

6a0147e057d826970b0168e80b3776970c