Marcel_Osterop,_de_schrijver_van_'Waterdragers'
Schrijver Marcel Osterop

Toneelschrijver en vriend Marcel Osterop heeft mij gevraagd om op deze avond een slotwoord uit te spreken. De reden dat hij mij hiervoor heeft gevraagd is, vermoedelijk, omdat ik op informele wijze nu en dan betrokken ben geweest bij de ontwikkeling van zijn plan om als vlieg op de muur mee te kijken bij de gemeente Eindhoven en daar een voorstelling over te maken. Zoals Marcel een vlieg op de muur was van de gemeente, zo ben ik dus een vlieg op de muur in het schrijvershuisje van Marcel Osterop. Daarom lijkt het mij goed om vanuit deze positie verslag te doen.

Als vlieg op de muur vloog ik afgelopen week mee naar Frankrijk waar Marcel een week doorbracht in PA-f, een voormalig klooster omgedoopt tot schrijverswerkplaats, om het fundament te leggen voor de laatste fase van een lang en zwaar werkproces. We spraken elkaar elke avond op onze vaste ontmoetingsplek op een heuveltop met uitzicht op het platteland. Ik hoorde de verhalen aan en las enkele fragmenten van de tekst. Vragen die steeds terugkeerden waren: hoe verwerk je in godsnaam al dat researchmateriaal? En hoe zorg je ervoor dat je dat materiaal, en de mensen die hun medewerking hebben verleend, eer aan doet?

Ik herken dit verschijnsel aan de hand van een historische roman die ik ooit las. De schrijver van deze roman had vier jaar research gedaan naar Japanse tradities. Op een zeker moment vindt er in een scène een Japans diplomatenoverleg plaats. De schrijver beëindigde deze scène met de volgende zin: ‘de diplomaat klikte twee witte blokjes tegen elkaar ten teken dat het overleg ten einde was.’ Dit vind ik een goed voorbeeld van overbodig researchmateriaal in een eindproduct. Die diplomaat zelf weet immers ten teken waarvan hij die blokjes tegen elkaar aan klikt. De zin had, vanuit het gekozen perspectief, eenvoudig kunnen zijn: ‘de diplomaat klikte twee witte blokjes tegen elkaar’, zodat de lezer vervolgens kan denken: ah, het overleg zal dan wel ten einde zijn. Of vanuit een ander perspectief had de zin kunnen zijn: ‘het overleg was ten einde’, zodat de lezer vervolgens zou kunnen denken: oh, dan hebben ze vast en zeker die twee witte blokjes tegen elkaar aan geklikt. Het probleem is natuurlijk dat de lezer niet weet waarvoor die blokjes dienen. Dus moet dat worden uitgelegd. Maar waarom die uitleg? Wat maakt mij het uiteindelijk uit hoe die Japanners dat precies deden zolang zijn vertelling de kern raakt.

Dit duidt, mijns inziens, op een blinde vlek van de schrijver: omdat hij zich verantwoordelijk voelt wil hij ons aan de lopende band bewijzen dat hij zijn best heeft gedaan. En al doende staat zijn product vol (soms) nutteloze details die dat product omlaaghalen. Anders gezegd: zodra de schrijver zich verantwoordelijk voelt maakt hij minder zuivere keuzes dan wanneer hij daar niet over hoeft na te denken. Details moeten de lezer ervan overtuigen dat hij echt zijn best heeft gedaan om het allemaal goed in elkaar te zetten. En de kern wordt, door de details die de waarde van zijn research moeten bewijzen, even vaak getroebleerd.

Dit mechanisme treedt des te sterker in werking indien de kunstenaar geld ontvangt om zijn kunst te kunnen maken. Wie geld krijgt om iets te maken voelt meteen een zelfde soort verantwoordelijkheid. Je krijgt geld en denkt: nu moet ik wel iets doen wat deze investering waardevol maakt. Ik moet ervoor zorgen dat men denkt dat dit geld toch maar goed aan mij besteed is!

Het liefst zou Marcel Osterop, vermoed ik, willen dat iemand hem het volgende zou mededelen: ‘beste Marcel, je bent een uitstekende toneelschrijver. Hier heb je dus een potje met geld. Doe ermee wat je wilt, want ik vertrouw volledig in je eigen inschattings- en waarnemingsvermogen.’ Ik denk dat deze houding voor veel kunstenaars een herkenbare is, terwijl ik tegelijkertijd waarneem dat deze situatie zeer zeldzaam is geworden. Vaker zie ik dat het erop lijkt dat dit wordt gezegd terwijl in feite de kunstenaar vervolgens zal moeten bewijzen waarom hij dat geld waard gebleken is. ‘Voor wat hoort wat’ lijkt de politieke tendens van tegenwoordig zodra er over cultuur gesproken wordt.

Nu kom ik tot mijn centrale stelling. Het feit dat een kunstenaar zijn best doet mag evident zijn, en hij mag zich nooit laten verleiden om als tegenprestatie zijn nut te moeten bewijzen. Straks zal blijken waarom deze uitspraak van belang is juist op een avond waar ogenschijnlijk cultuur en politiek hand in hand lijken te gaan.

Ook ik herken het probleem. Laat ik dus nu even een vlieg zijn op mijzelf. Wat zie ik? Ik ben vandaag naar Tilburg gekomen om een slotwoord te geven. Daarvoor krijg ik een freelance dagvergoeding. Ik heb een klein beetje geld gekregen en ben vervolgens vrij om te zeggen wat ik wil. Maar dat is niet helemaal waar. Ik kan hier niet zomaar het eerste hoofdstuk voorlezen van het werk waaraan ik diezelfde week in Frankrijk heb gewerkt. Dat zou gezien deze samenkomst van omstandigheden misschien uitstekende acquisitie zijn, en een goede zet indien ik mij zie als cultureel ondernemer van de BV-Ik met mijzelf als vertegenwoordiger. Maar ik zou het gevoel hebben dat ik de mij hier gegeven ruimte misbruik voor eigen gewin.

Dit gevoel heeft ervoor gezorgd dat ik gemeend heb dat dit openbreken op metaniveau meer zegt over de kern van de zaak dan dat wanneer mijn denken alle kanten op stroomt en meandert naar een mogelijk niets, terwijl de toehoorder per minuut meer en meer het gevoel krijgt dat ik hier vooral zit ter meerdere eer en glorie van mijzelf en de verrijking van mijn eigen culturele marktwaarde. Ik denk dat wat ik hier opschrijf daarmee een poging is de kern naar boven te halen. En zo heb ik het gevoel dat ik iets bijdraag en dus de kleine investering waard gebleken ben.

Dit is een denkfout die je kan maken wanneer je nadenkt over de verhouding tussen kunst en politiek. De gedachten komt voort uit het idee dat kunst nuttig moet zijn. Dat is een drogreden. Kunst moet helemaal niet nuttig zijn. De kunstenaar moet mogen falen. En als de kunstenaar moet bewijzen waarom de gemaakte investering nuttig is geweest zal ook dat zijn proces beïnvloeden. Zijn proces zal in het teken komen te staan van dit uiteindelijke bewijs. Zelfs zijn falen zal zodoende geparafraseerd worden als een geslaagd falen.

Een kunstenaar neemt waar wat hij waarneemt en graaft naar de kern van zijn observatie. Alles beïnvloedt zijn waarneming. Tijdsdruk beïnvloedt zijn waarneming, het ontbreken van een werkende cv-ketel, honger, het ontbreken van liefde, de aanwezigheid van liefde, het geluid van ronkende motoren, het geluid van vliegende beestjes, huilende kinderen, spelende kinderen, armoede, berichten in de krant, de impliciete verplichting aanwezig te zijn op de verjaardag van je schoonmoeder. Alles beïnvloedt zijn waarneming. Dus ook geld. En vooral de druk die je kan voelen om deze gift te moeten verantwoorden. Dat is omdat hij waarneemt. Waarnemen is zijn vak. De kunstenaar die uitblinkt in observatievermogen blinkt ook uit in het meenemen van al deze overbodige metalagen. Zodra hij de gemaakte investering zal moeten rechtvaardigen verzwakt dat zijn waarnemingsvermogen. En het is dit waarnemingsvermogen waarvoor wij hem bewonderen en wat ons heeft doen besluiten om hem in eerste instantie dat geld toe te vertrouwen.

Subsidiegeld voor cultuur is een genereuze verkwisting in de hoop dat dit ergens toe leidt. Meer is het niet en meer kan het ook niet zijn. Dit moet als een mantra herhaald blijven worden. Verantwoordelijkheidsgevoel komt inherent voort uit het ontvangen van geld. Het gevoel daarenboven nuttig te moeten zijn om zo een gemaakte investering te rechtvaardigen is dodelijk voor goede kunst. Toch wordt er steeds vaker in dergelijke termen gepraat als me nadenkt over de verdeling van subsidiegeld; geld van de belastingbetaler, oftewel geld dat iedereen betaalt, en waar iedereen gebruik van maakt.

Ik begrijp niet waarom de kunstenaar keer op keer zijn nut moet bewijzen. Ik begrijp niet waarom het debat tussen kunst en politiek keer op keer terugkeert. Is kunst nuttig? Dit is een overbodige vraag. Kunst is niet nuttig, kunst is kunst.

Moet de politiek de kunst subsidiëren zodat het kan blijven voortbestaan? Dat kan. Kunst is kunst en dientengevolge bestaat het en heeft het bestaansrecht. Zou de politiek zich er niet mee bemoeien, dan nog bestaat er kunst en blijft de kunst voortbestaan. De politiek hoeft dit niet te subsidiëren. In dat geval gelden de harde wetten van de markt. De politiek kan besluiten dit wel te subsidiëren. Dan gelden de harde wetten van de markt in mindere mate. Meer mogelijkheden zijn er feitelijk niet. Dit keer op keer bevragen is zinloos.

En moet de kunstenaar het ontvangen van subsidiegeld vervolgens verantwoorden dan maakt dat de kunst die hij maakt troebel. En daar heeft sowieso niemand wat aan.