testing

Schermafbeelding 2017-11-02 om 20.53.44

Een filmscène met vliegende auto’s is doorgaans een vrolijke, kleurrijke en bonte bedoening. Maar in Blade Runner 2049 (2017), de onverwachte sequel op Blade Runner uit 1982, wordt zelfs met een auto boven een miljoenenstad uitvliegen een desolate en sombere bezigheid. Het beeld zet, samen met de indringende, penetrante soundtrack, de toon voor een duistere en terneergeslagen status-quo van een wereld in de nabije toekomst. In deze eens door grote ecologische rampen getroffen wereld worden zeer op mensen gelijkende biotechnische replicanten als slaven uitgebuit om interplanetaire civilisatie mogelijk te maken.

De film volgt het verhaal van een replicant genaamd K van het type Nexus-9, wat wil zeggen, een noodzakelijke disciplinerings- en gehoorzaamheidsupdate ten opzichte van eerdere Nexus-types die zozeer op mensen leken dat ze uiteindelijk tegen de mensheid in opstand kwamen (ik parafraseer het allemaal maar even in mijn eigen woorden). Sinds het gehoorzame negen-model het mogelijk maakt om replicanten overal in het universum als slaven in te zetten is de wereld anno 2049 weer relatief in balans. Blijft over: die oude modellen. Protagonist K heeft als taak om in dienst van de LAPD als Blade Runner dissidente eerdere Nexus-types op te sporen en elimineren.

De openingssequentie van de film bestaat uit een confrontatie met een van die oude modellen, een verondersteld lid van de replicanten vrijheidsbeweging. K zou nooit zo gehoorzaan zijn, snauwt de replicant hem nog toe voordat hij wordt gedood, als hij dezelfde wonderen zou hebben gezien. Deze uiting van hoop wordt gevormd door de lichaamsresten, onder een boom begraven, van een type-zeven replicant waarvan beweerd wordt dat zij tot reproductie in staat zou zijn.

K’s superieur laat weten dat dit inderdaad ‘juicy information’ is en sterker, te allen tijde verborgen moet blijven omdat er anders zeker een revolutie zal uitbreken onder de replicanten – het definitieve einde van de civilisatie. In de uitvoer van die opdracht, het verbergen van de lichaamsresten en het verbranden van de vindlocatie, komt K te weten dat het moet gaan om een kind van replicant Rachel en Blade Runner Deckard uit de eerste Blade Runnerfilm, en krijgt hij beetje bij beetje het vermoeden dat hijzelf allicht die zoon is. Een van de aanleidingen tot twijfel is zijn jeugdherinnering in de vorm van een houten paardje, waarvan hij altijd blind heeft aangenomen dat het om een gefabriceerde herinnering ging. Omdat zijn digitale vriendin blijft aandringen gaat hij op onderzoek uit en begint hij langzaam aan deze hypothese te hechten.

In zijn zoektocht doet hij o.a. de herinneringenmaker aan, die indien zijn herinneringen gefabriceerd zijn, verantwoordelijk moet zijn voor zijn herinnering aan het houten paardje. Ze deelt haar overwegingen om dit merkwaardige beroep uit te oefenen: ze heeft het altijd al onmenselijk gevonden, vertelt ze, wat de mensen de replicanten aandoen en ziet het als een daad van empathie om haar leven in dienst te stellen van het maken van mooie herinneringen. Als K zijn herinnering van het houten paardje met haar deelt met de vraag of het een gefabriceerde herinnering is, antwoord ze ontkennend: nee, dit is met zekerheid een authentieke herinnering.

Voor K vormt dit een doorslaggevend bewijst voor zijn sluimerende vermoeden: hij is de verloren zoon en zal vanaf nu opgejaagd worden, zoals hij tenslotte al zijn hele werkzame leven dezelfde probleemgevallen opjaagt. Gedurende zijn zoektocht naar Deckard zal hij moeten accepteren dat hij een symbool is voor het onmogelijke, een potentie tot revolutie – hij is the one zoals Neo uit The Matrix, en het feit dat hij bestaat zal mogelijk aanleiding geven voor de opstand der replicanten.

Pas en halve film later komt K in contact met de vrijheidsbeweging. Daar leert hij dat Rachel geen zoon maar dochter kreeg, een even schitterende als betekenisvolle omslag in het verhaal. Hij is juist niet the one. De herinnering van het houten paardje, zo wordt hem verteld, werd bij verschillende replicanten geïmplementeerd om deze noodzakelijke ontwikkeling in denken ook bij replicanten mogelijk te maken en een revolutie te bespoedigen.

Uiteindelijk brengt K Deckard naar zijn dochter, een tweede mooie omslag: dat is namelijk de herinneringenmaker die de herinnering van het paardje wel degelijk correct als niet-gefabriceerde herinnering had gelezen – alleen wist K niet dat ze niet zozeer hem maar zichzelf erin herkende. Daarmee klopt ook haar empathische geest: zij leeft zo mee omdat ze zelf het product is van replicantenliefde.

De film behandelt een klassiek sf-dilemma van de replicant (of synth, of clone) en de ethische vraag naar uitsluiting: wie worden er tot de civilisatie gerekend en wie vallen daarbuiten? De film stelt de ethische vraag in hoeverre een replicant menselijk is en dientengevolge een menswaardige behandeling verdient. Dit is een altijd terugkerende ethische discussie: nog geen tweehonderd jaar geleden was het normaal om over slaven te denken in vergelijkbare termen; dezelfde beslissingen worden in de huidige tijd over dieren genomen; en ook het vluchtelingendebat is uiteindelijk een debat omtrent inclusiviteit. De replicant kan ook gezien worden als metafoor voor omgang met dieren, slaven en vluchtelingen.

Als K’s superieur hem erop wijst dat een revolutie het einde van de civilisatie behelst dwingt dat tot nadenken wat die civilisatie precies is en wie eronder vallen. De inclusiviteit kan nooit absoluut zijn. Om een inclusieve samenleving af te bakenen en te waarborgen is er per definitie een ander nodig die dezelfde vrijheden ontbeert en het buitenhouden ervan noodzakelijk. Deze grenzen zijn altijd in transgressie en staan steeds opnieuw ter discussie.

Wie in de huidige status-quo zijn plek heeft gevonden, zoals K schikt in zijn rol als detector van dwarse replicanten, dient met gebogen hoofd de wetten te accepteren van de wereld waarin hij functioneert, met alle gevolgen van dien, een wereld die niet door de wil van een enkeling om te buigen is. Dat is de druiperige, regenachtige, teleurstellende, lelijke wereld zoals Blade Runner hem ons voorstelt, een wereld die niet eens zover afstaat van de wereld zoals we die kennen.

Dat ook K uiteindelijk niet the one is krijgt wel degelijk betekenis hier. Hij maakt de hele cyclus door van ‘wat kan ik doen, ik ben ook maar gewoon een replicant’, via ‘ik ben niet wie ik dacht te zijn, maar mijn bestaan heeft een symbolische betekenis en kan mogelijk brandstof zijn voor de strijd van anderen’ naar de uiteindelijke teleurstelling ‘ik ben diegene niet, maar die strijd van anderen is allicht noodzakelijk voor de uitbreiding van de inclusiviteit’. En is dit niet de cyclus die een mens steeds weer maakt wanneer hij doorkrijgt wat de status-quo behelst waarin hij leeft en welke offers ervoor gemaakt dienen te worden?

De film behandelt het unheimische gevoel van de teleurstelling. De wereld over dertig jaar; en alles is leeg en hol en regenachtig. Je wilt er wel verandering in brengen, maar er zijn slechts drie posities mogelijk: of je bent onderdeel van het afgebakende geheel en dus medeplichtig, of je staat erbuiten en ontbeert de vrijheden van anderen, of je vervoegt je bij de potentiële revolutie. Niemand kan eigenhandig het tij keren. Niemand is the one. Het houten paardje geeft de protagonist voor even valse hoop, maar die hoop is slechts uitgestelde teleurstelling.

Toch is ook K veranderd. Zijn nieuwe bewustzijn is niet meer weg te denken, wat hij gaandeweg heeft geleerd niet meer uit te wissen. Daar is het afleveren van Deckard bij de herinneringenmaker een blijk van. En is dat niet wat revolutie überhaupt is – uiteindelijk? Elke revolutionair was ooit ook maar gewoon een teleurgestelde gast met een brommer of een fiets.