Als kind van de jaren tachtig ben ik niet alleen opgegroeid met Shakespeare en Multatuli; ook Super Mario Bros en Terminator II behoorden tot de peilers van mijn culturele ontwikkeling. En ja, als je het zo zegt, de kunsten overleven het wel.

Dus voordat we weer een nieuwe ruzie ontketenen over de zogenaamde Hoge Kunst en Lage Kunst, en wie daar dan weer toe gerekend zouden moeten worden, zou ikzelf liever een andere tweedeling schetsen: een die het onderscheid zoekt van producten die zich hebben kunnen ontwikkelen binnen een zogenaamde ‘vrije zone’. Want om het daadwerkelijk voor elkaar te krijgen om een klein idee naar een tot ieders verbeelding sprekend product te vormen is een creatieve vrijplaats noodzakelijk, een plek waar dit idee beetje bij beetje uitgeplozen en ontwikkeld kan worden – een plek waar het al dan niet kan lukken of mislukken (en dat geldt even goed voor Super Mario).

Tijdperk van de pindakaasvloer

Lange tijd leek ook het theaterveld in Nederland op zo’n creatieve vrijplaats: een (globaal gezien) minimaal speelvlak waarin producten relatief autonoom tot ontwikkeling konden komen, een sector kortom die er terecht door heel de wereld om werd geprezen en geroemd. Dat deze mogelijke vrijheid misschien voor een aardig deel onbenut is gebleven is de theatermaker van de afgelopen dertig jaar (zoals velen blijkbaar hebben opgevat inderdaad vrij makkelijk) te verwijten, en daarom klinken vooral unanieme geluiden van onverschilligheid, nu een aanzienlijk deel (namelijk de helft!) van de sector lijkt te worden opgedoekt.

Inderdaad, de makers die hun ongekende vrijheid niet tijdig hebben ingezien en daarin op enigerlei wijze nalatig zijn gebleken in de terugkoppeling naar het publiek verdienen in zekere zin die figuurlijke pets op de wangen die hen de laatste dagen onophoudelijk lijkt te worden toebedeeld. Of om het nog maar eens met de woorden te zeggen die ik de afgelopen week zo vaak heb moeten horen: ‘het is nu eindelijk maar eens klaar met het pindakaasvloerentijdperk’. Nu goed, blijkbaar is het gedaan met dergelijke ‘dure statements’, en is de tijd aangebroken om de kunstenaar eens te laten voelen “dat wij daar niet van zijn gediend”. Laat ons constateren dat dát bij deze is gelukt; men is wakker geschud, wij hebben het gehoord, de boodschap is duidelijk: kunsthaters en kunstkenners, leken en professionals, Henk-en-Ingrids, iedereen heeft zijn buik vol van die peperdure producties waar niemand iets van begreep. Laat ons dan nu de zaken in een iets breder perspectief plaatsen.

VOC-mentaliteit

Uiteraard is er iets te zeggen voor het argument dat de kunsten zich altijd wel zullen redden. Dat geldt alleen al voor de undergroundscene, de straatcultuur, en de sectoren die relatief gezien de grootste autonomie genieten zoals de beeldende kunst of literatuur. We worden dan wel overspoeld met Saskia Noorts en Heleen van Rooyens, maar tegelijk zou je kunnen stellen dat de roman – een kunstvorm die het zichzelf in staat stelt binnen zichzelf zijn eigen wetten te scheppen – onder elke erbarmelijke hoedanigheid ontwikkeld zou kunnen blijven worden. Voor de schilderkunst geldt misschien hetzelfde al zullen maak- en ontwikkelingskosten sneller leiden tot het moeten zoeken naar financiers. Het nationale debat hieromtrent valt wel zo’n beetje samen te vatten met de mening van mijn oom, die met Van Gogh en Rembrandt de Nederlandse cultuur uitstekend vertegenwoordigd ziet. Sommige landen vinden het de normaalste zaak van de wereld om schrijvers en beeldend kunstenaars te koesteren en op minimale basis in leven te houden.

Nederland is nooit echt zo’n land geweest. De VOC-mentaliteit is nooit helemaal uit het bloed verdwenen. Als je een handelsland wil blijven is het inderdaad een tactisch gezien uitmuntende zet om een symbolische gevechtstraaljager te kopen. Iedereen wil bij Kolonisten van Catan (in Nederland zeer populair bordspel, dwm.) ook het liefst zijn huisje hebben bij de 6 of bij de 8, zullen we maar zeggen. Iets waarin geïnvesteerd is moet toch in ieder geval zijn waarde zien te verdubbelen, denkt de Nederlander – weggeven is zonde (Nederland trok vóór de bezuinigingen van alle Europese landen het minste uit voor kunst en cultuur). Maar inderdaad, strikt genomen moet ik de tegenstanders van de kunstendiscussie hieromtrent gelijk geven: wanneer zij zeggen ‘de kunsten overleven het toch wel’ denk ik met liefde en plezier aan alle literatuur, poëzie, beeldende kunst, schilderkunst en wat al niet meer, en kan ik niet anders dan concluderen dat er altijd wel een idioot zal blijven bestaan die voor drie zakken aardappelen zichzelf jarenlang in eenzame opsluiting zal blijven tergen in naam van de kunst.

Vals maakbaarheidsideaal

Momenteel echter worden successen vaak in naam en faam misbruikt om voor het karretje te spannen van een vals maakbaarheidsideaal, worden er succesformules uit gedestilleerd, worden concepten uitgeknepen, herhaald en indien niet per direct opnieuw succesvol linea recta afgeserveerd. Waaraan voorbij gegaan wordt is dat al deze werken in een langdurig proces van trial en error min of meer toevallig overleefd hebben. Het getuigd van een onvergefelijke geschiedvervalsing dit proces om te draaien, om het werkende product te beschouwen, om van daaraf teruguit te kijken en aldus tot werkende formules te komen; en precies hierin lijkt ons nieuwe cultuurbeleid gespecialiseerd.

Ik heb het idee dat men maar niet wil begrijpen dat het subsidiegeld voor het overgrote deel ergens anders voor nodig is, namelijk het samenbrengen en het creëren van de minimale basisvoorwaarden – het faciliteren. Wanneer een deel van het geld wordt weggehaald ontneem je vooral de kunstenaar de mogelijkheid de noodzakelijke voorwaarden te verenigen. Zonder subsidie is het voor bijvoorbeeld een theatermaker onmogelijk om alleen al het minimale erbij te betrekken – twee acteurs, een technicus, vormgeving en een theaterzaal. En ja, er zijn uiteraard allang vindingrijke initiatieven gaande om dit geldprobleem te omzeilen: makers spelen hun eigen werk solo en met een Wii-remote om de lichtstandjes te veranderen; we kunnen oneindig krimpen, het is ons blijkbaar allemaal best.

Het zou het debat over bezuinigingen in de kunsten alleen danig bespoedigen wanneer het gesprek zich eens verlegde van ‘die luie kunstenaarsflikkers die met de rug naar het publiek hun hand ophouden voor geld om daarmee een gat in de dag te slapen’. Dat geld is primair nodig voor alles eromheen, om de context te creëren waarbinnen het überhaupt plaats zal moeten vinden. Dat de kunstenaar in staat is zichzelf eindeloos weg te cijferen bewijst alleen al diens agenda met een absurde hoeveelheid onbetaalde werkuren.

De wereld draait door

Een land met een gezonde subsidiestroom voor kunstontwikkeling weet dat hierin de kiem ligt voor een progressieve, weldenkende samenleving. Helaas woedt in Nederland momenteel een onderstroom van opkomend populisme. Deze beweging beperkt zich niet alleen tot Nederland, en de afgelopen paar jaar; de beweging is duidelijk aan onomkeerbare wildgroei onderhevig, en vertakt zich langzaamaan door heel Europa. Tegelijk verliest Europa langzaamaan grip op de wereld. Synchroon aan deze beweging is Nederland onderhevig aan wat ik zou willen noemen de DWDDerisering van de samenleving: door dagelijks in Nederlands grootste talkshow (De wereld draait door, dwm.) aan een miljoenenpubliek de culturele geluktheid voor te houden, houd je tegelijk een constant rookgordijn op ter afleiding van deze op handen zijnde problematiek.

Zolang de grote publieke programma’s op de dagelijkse televisie zich niet uitlaten ten bate van de kunsten, en de gevarenzone waarin deze zich bevindt, dragen zij niet eens indirect bij aan het systematisch verdrukken van het vrije denken en ontwikkelen – en dat mag niet worden onderschat. In de laatste week dat het programma dit seizoen in de lucht was werd ons kijkers de belofte gedaan ‘volgend seizoen iets te gaan doen met theater’. Het laat zich al wel zo’n beetje raden wat dat zal gaan zijn: de vijf of zes gelukte gezelschappen mogen beurtelings elke zoveelste donderdag van de maand één minuutje huilen en lachen en mimen en dansen en springen, daar mag Halina Reijn dan iets gelukts over beweren (zo zie je maar weer, enzovoort), en de hele wereld denkt weer voor onbepaalde tijd dat de podiumkunsten allang weer zijn gered. Als programma in kwestie werkelijk iets wil doen voor de sector dan mogen zij nog morgen een ingelaste spoeduitzending houden, desnoods vanuit het land waar dhr. van Nieuwkerk momenteel op vakantie is, om eindelijk eens een goede vijftig minuten te gaan staan voor de sector die haar gelukte producten met vier per dag en vijfentwintig per week het programma zijn allure schenkt waar iedereen zo hoog over op lijkt te moeten geven.

Het mag geen godswonder heten dat uitgerekend de pindakaasvloer symbool is gaan staan voor de kunst als geldverspilling; het kunstwerk werd op prime-time in dit programma uitgebreid besproken, het is een van de weinige uitingen van zogenaamde Hoge Kunst die het afgelopen half jaar de televisie heeft gehaald. Intens belabberd werd het becommentarieerd (‘alles kan kunst zijn; een boterham met pindakaas kan kunst zijn’) en het is in perspectief van de op handen zijnde agressie tegen de kunsten eigenlijk ronduit stuitend dat dergelijke gesprekken, door miljoenen bekeken, de toon zetten voor het debat, waar het programma vervolgens zijn handen vanaf trekt. Nog altijd is dit ene domme gesprekje blijven hangen in herinnering.

Geen experiment meer

Wat opvalt is dat zelfs dus prominenten, zogenaamde kenners, op nationale televisie zo tergend slecht uiting kunnen geven aan een culturele of kunstzinnige beleving. Het doet denken aan de manier waarop kunstkenners door musea wandelen: zij gaan bij élk schilderij éven lang staan. Blijkbaar is het gemeengoed geworden te denken dat wij aan kunst iets moeten hebben, en anders hoeft het van ons niet zo. Als wij al bekend staan als kenner, dan nog doen wij een kunstkenner ná. Wij gaan precies even lang voor een schilderij staan als de tijd die wij verwachten dat wij er behoren te staan.

In niemand schijnt het meer op te komen dat je mag binnenwandelen, neer mag zitten bij één enkel werk, daar een halve dag kan blijven zitten, om daarna zonder verdere omwegen naar huis terug te keren – om maar wat te noemen. De kunstervaring dient ter bevestiging, het dient een doel. Er mag geen experiment meer plaatsvinden, er mag niks meer mislukken. Zalen moeten vol zitten, de uiting moet worden begrepen. Pindakaas op de vloer is onzin, want dat begrijpen wij – onzin zit in het paradigma van de zingeving, het is domweg het tegendeel.

Niemand ziet intussen het werkelijke spel dat Wim T. Schippers speelt met de sector die er niets meer van begrepen heeft, althans, niemand van het publieke debat op nationaal niveau – een spel dat duizendmaal ironischer is en gelaagder, dat het tegelijk een duidelijke en goedgeplaatste sneer lijkt naar de marktwerking van diezelfde kunstsector: de uitvoerder (het museum) en niet de instructeur (Schippers) laat zichzelf erin kennen.

Tegen alle kunsthaat in

Vrijwel iedereen lijkt momenteel onderhevig aan een zekere Henkheid, een mate van Ingriditeit, en er is heel wat voor nodig om daar ook maar iets tegenin te brengen. Zelfs in het kunstvakonderwijs is het zeer gebruikelijk om in deze termen van algemeen nut de denken en spreken. Het heeft ontzettend lang geduurd voordat ik doorkreeg dat de auteur van een roman niet 1 thema en 5 motieven in zijn boek had verstopt, omdat mijn docente Nederlands dat van hem verwachtte, dat het nu juist inherent is aan de roman als kunstvorm eruit te halen wat je erin ziet. Willen wij de kunsthaat aanpakken, de diepgewortelde kunsthaat waarvan de maatschappij momenteel blijk lijkt te geven, dan is het noodzakelijk dit misverstand ‘iets ermee te moeten’ op te heffen.

Het is aan de kunsten, de kunstenaar en het publieke debat dit soort misverstanden over de culturele sector opnieuw systematisch te ontzenuwen. Het is namelijk prima toegestaan iets ontzettend kut te vinden, iets vreselijk te haten, of onwaarschijnlijk verveeld te zijn. Ook een gerenommeerde schouwburgdirecteur mag op de ene dag meezingen met De Vlieger en op de andere totaal geen zin hebben in het Nationaal Ballet. Mijn tante kan evenwel in vervoering raken van zo’n groepje indianen die staan te panfluiten in het meest toeristische deel van Zuid-Frankrijk, en zolang zij zich onttrekt van haar mening over de pindakaasvloer – die zij, late we wel wezen, enkel kent van horen zeggen – gun ik haar de panfluit-cd die ze heeft gekocht voor de terugreis.

Alles maakt deel uit van een culturele totaalervaring waar je soms geraakt wordt of in vervoering gebracht, en even goed een andere keer weer niet – en daar is werkelijk alles mee gezegd. Ik kan me simpelweg niet voorstellen hoe je anders in de culturele kwestie zou kunnen staan. Soms zie je iets waarvan je tien jaar geleden in vervoering raakte en het doet je helemaal niks meer. Even goed sla je heden ten dage een boek open waar je nooit iets mee hebt gehad, en je wordt er ineens totaal door overdonderd. Het is de enige manier waarop kunst tot ons komt en op ons inwerkt, en dat heeft met winst of verlies of nut niets te maken.

Gedoogconstructie

Pas als we dat onderkennen ontstaat opnieuw de gedachten dat in élke ontwikkelingstijd 99% verspilling is, en dat die verspilling noodzakelijk is om tot iets te komen – dat er daarmee daadwerkelijk iets komt dat de moeite van het verspillen waard is gebleken. De vaak gehoorde metafoor is die van het doucheputje. Hoewel de grote verspilling met het beeld van stromend water treffend is gevat zou ikzelf liever pleiten voor de metafoor van de spoelbak: even goed zie je in dit beeld een duidelijke vertaalslag naar de grote hoeveelheid zinloze verspilling, maar in dit beeld worden toch in elk geval nog met enige frequentie de uitwerpselen van diens gebruikers weggespoeld – het totale wanbeleid van een beschamende gedoogconstructie, in dit specifieke geval.

Ik weet zeker dat ik voor de meeste mensen niets nieuws beweer als ik zeg dat elk creatief proces grillig is, moeizaam, onberekenbaar, ongewis. Dergelijke processen behoren niet slechts toe aan de theatermaker of schilder, zij zijn precies hetzelfde voor musici, architecten, reclamebureaus, filosofen, docenten, artsen, wetenschappers – vakantiegangers desnoods. Creativiteit is een glijdende schaal, en in eenieder met een beetje creatief vermogen – als we alle hobbyclubjes bij elkaar optellen de halve wereld – weet dan precies wat wordt bedoeld. En precies daar raakt momenteel iets in verdrukking, namelijk de vrijplaats, de plek waar iets kan en mag broeien om tot ontwikkeling te komen. En daarom is een reactie van algemene totale onverschilligheid over de op de op handen zijnde bezuinigingen diep te betreuren.

Wat wij hier vandaag te verdedigen hebben is geen pindakaasvloer of egocentrisch vormexperiment dat met de rug naar het publiek is gemaakt; wat wij vandaag verdedigen is een symbolische vrijplaats die almaar voor onze neus lijkt te worden ingekrompen en ingekrompen terwijl iedereen ernaar staat te kijken en niemand iets lijkt te kunnen doen. Symbolische vrijplaats ja, want deze beweging is niet alleen gaande op de Nederlandse podia. De podia zijn vandaag ‘de lul’ omdát ze het meest direct in contact staan met de mensen, maar vergelijkbare bewegingen zijn tegelijk gaande in de wetenschap, de filosofie, de gezondheidszorg, het onderwijs… alles wat je zou kunnen samenvatten als de progressieve hoek van onze samenleving, dat deel wat tot denken zet wordt ingekort, afgeknipt, weggesnoeid, de kop ingedrukt.

Unique selling point

Wat overblijft is een totaal niet waar te maken ondernemersmythe. Iedereen dient handelaar te worden van zijn eigen handelswaar, iedereen is tegelijkertijd het uithangbord van zijn eigen unieke geval. Sociale media dwingen ons op te splitsen in jezelf en de stilering daarvan; de regering dwingt ons deze stilering verder uit te werken, langzaam uit te hollen, zodat eenieder behept is met één kernachtige eigenschap. Resultaat is dat niet per se meer degene met het grootste talent, vakmanschap of expertise voorop komt te staan maar degene met een slim gekozen ‘Unique Selling Point’ (allochtoon én knuffelbaar, televisiemaker én nierpatiënt).

Het meest pijnlijke voorbeeld is misschien Susan Boyle. Nog altijd lijkt iedereen van haar te denken dat ze door is gebroken ondanks haar uiterlijk en omdat ze zo prachtig zong; dat ze zó goed zingt dat we zelfs even vergeten hoe ze eruit ziet! Maar niemand luistert meer naar haar, dus waarom zou dat waar zijn? Wij zijn gezwicht voor het verhaal van beiden, dat ze, terwijl ze haar uiterlijk niet mee heeft, toch door zo’n concept heen weet te breken. Haar ‘Unique Selling Point’ is het contrast tussen uiterlijk en innerlijk – een dramatisch contrast. Juist Susan Boyle lijkt een uitstekende profetie in zich te herbergen van wat ons allemaal boven het hoofd hangt als deze tendens zich voortzet.

Straks mogen we allemaal om en om welgeteld één keer onze vermeende ‘leukheid’ etaleren – goh, wat maak ik toch van die leuke rare lange zinnetjes die net geen punt maken en die bijna niemand snapt. Langzaam werken we toe naar een excessencultuur, een bonte stoet van ingekapselde kunstenaars met één ludieke eigenschap die als poppen van het systeem op commando de waan van de dag opleuken voor de massa.

Ondernemersriedel

En al zou dat de toekomst zijn van het land, hoe haalt een minister het dan in zijn hoofd om ons die ondernemersriedel te verkopen en vervolgens álle opties voor ondernemerschap botweg te elimineren en weg te snoeien? Een minister die zo verdomde weinig van ondernemen heeft begrepen moét wel op een gesubsidieerde stoel hebben gezeten. Oerol, om een voorbeeld te nemen, genereert 77% eigen inkomsten. Je zou zeggen dat het een schoolvoorbeeld is voor het ondernemerschap dat de minister voorstaat. In de komende jaren zal het voor dit festival nagenoeg onmogelijk worden om het hoofd boven water te houden. ‘Waarom wordt die 77% niet de nieuwe honderd en hebben we gewoon drie-en-dertig minder voorstellingen (ik zie er elk jaar toch maar drie)’, hoor ik Ingrid alweer denken.

Ja, waarom gaat een zwerver zijn bedelactiviteiten niet voortzetten in Almere, stad die nota bene welgeteld één zwerver telt en dus voor hem wel het Walhalla zal zijn – omdat hij om te beginnen zijn treinkaartje voor de heenreis niet kan betalen. Zelfs een idioot begrijpt dat ondernemen begint bij investeren. De theatermaker die al niet zijn zelf door derderangs andersoortig werk verdiende centen kan investeren kan dat nog altijd doen met tijd; iedere maker die ik ken werkt zichzelf een slag in de rondte, maakt gemiddelde weken van 60 á 70, zoniet 80 uur – waarvan het merendeel als investering, gratis kortom. Degene die dat niet kan geloven adviseer ik een weekje met een theatermaker mee te lopen en te klokken. Ik hoop dat het cliché van luie kunstenaars ook eens klaar mag zijn.

Toekomst

Is er hoop? Ik maak mij geen enkele illusie en ben zéér pessimistisch. Ik heb niet de minste indruk dat nu schreeuwen nog enig verschil uit zal kunnen maken in zowel het publieke debat als de verdeling van de kunstsubsidies, maar eerlijk gezegd maakt dat niet eens echt veel meer uit. We leveren vandaag een symbolische strijd.
Eerlijk gezegd vermoed ik dat onze culturele houding een gulzige zal blijven, een beetje zoals wij de laatste vijf jaar muziek en films geconsumeerd hebben. Binnen nu en tien jaar zal ook de hele wereldliteratuur digitaal ‘binnen te trekken’ zijn, en op vergelijkbare manier zal de fotografie verdwijnen, iedereen zal zijn eigen filmpjes kunnen maken, en van de televisie hoeven we ook niet veel meer te verwachten. Cultureel gezien leven wij in een vuilnisbak en voor de mensen die blijvend herhalen dat “de kunsten zich toch altijd wel zullen redden” zal het wel een grote feestelijke orgie worden.

Zelf wil ik opnieuw een tweedeling schetsen, die van passieve en actieve consumptie. Waar ik door ongekende downloadmogelijkheden tegenwoordig vele films en muziek tot mijn beschikking heb en moet concluderen dat ik er onverschillig van word. Deze tijd vraagt ons opnieuw onszelf actiever te verhouden voordat wij alleen nog onderuitgezakt alles over ons heen laten komen. Vandaag is een goed moment om te beginnen, om jezelf actief te maken – temeer wij een strijd leveren tegen de vervlakking, tegen ingekapselde stompzinnige brave bevestigingskunst, tegen de verslapping, en vóór creatieve vrijplaatsen, vóór de mogelijkheid te onderzoeken, vóór de mogelijkheid al dan niet te lukken of mislukken zonder daar direct voor te worden afgerekend.