Tekst Michiel Lieuwma en Daan F. Oostveen

Sinds Halbe Zijlstra de botte bijl heeft gezet in de cultuursubsidies lijkt crowdfunding in de kunstensector aan een opmars bezig. Niet langer je hand ophouden voor de overheid, maar bij familie, vrienden en sympathisanten vragen of ze je boek, cd of documentaire willen steunen. Echt talent komt tenslotte wel bovendrijven, toch? 

‘Ik heb een wens’, schrijft een vriend in een e-mail. ‘Mijn wens is dat mijn soloalbum veel mensen mag gaan raken.’ De plaat is al af, maar het enige wat nog nodig is voor de noodzakelijke marketing, is geld. Hiervoor maakt hij gebruik van de het internetplatform www.voordekunst.nl, een website voor crowdfunding in de kunstensector. ‘Mijn droom is uitgekomen’, schrijft een andere vriendin in diezelfde week. ‘Ik mag gaan spelen op een festival.’ Het enige wat nog ontbreekt is decor en de kostuums. Maar daarvoor heb ik toch vrienden: doneer een paar euro’s op www.voordekunst.nl en zorg ervoor dat mijn droom niet omslaat in een nachtmerrie.

Het eerste verzoek is gedaan via een algemene mail naar diverse vrienden, het tweede verzoek via een gezamenlijk privébericht op facebook. Wat meteen opvalt aan beide berichten is dat de vragensteller dus een beroep doet op de vriendschapsband, om geld te krijgen voor zijn of haar project. Een droom of een wens van een vriend is niet iets waar je eenvoudig aan voorbij zult gaan. De vriend doet beroep op een authentiek streven en betrekt jou hierbij. Een verzoek om een kleine hulp is dan ook moeilijk af te slaan.

Maar kunnen we in het geval van crowdfunding nog wel spreken van een ‘kleine hulp’? Bovendien, als alle kleine hulpen samen leiden tot een substantieel onderdeel van je levensonderhoud, kunnen we dan nog wel spreken van een vriendendienst? Kun je voor je inkomen afhankelijk zijn van de gunst van vrienden?

Vampierfilms

De etiquette in vampierfilms is dat een vampier door zijn slachtoffer binnengevraagd moet worden. Pas als die persoon de vampier heeft uitgenodigd in zijn huis is de vampier gemachtigd om toe te kunnen happen. De crowdfunder draait deze mechaniek om: hij vraagt aan de persoon die binnen zit of deze hem binnen wil vragen. Onze vraag moet zijn of hij daarmee nog wel in staat is om op een onbewaakt moment toe te kunnen slaan.

Wie zichzelf laat crowdfunden pretendeert geld nodig te hebben voor de kunst – dat wil zeggen, je wilt worden vrijgesteld van alle andere arbeidsverplichtingen, om je kunst te kunnen maken. De naam van de website: www.voordekunst.nl, en de ‘ik heb een droom’-retoriek waarmee de bedelbrieven verspreid worden bevestigen dit. In het voorbeeld van het soloalbum zien we nog een opvallend fenomeen: de cd is blijkbaar al voltooid. Toch vraagt de vriend een dienst. Deze dienst bestaat er dus niet uit zijn kunstenaarschap te verruimen of verdiepen, maar om het naar een groter publiek te brengen. De droom is niet het worden van een kunstenaar – want dat is hij immers al. De droom is het worden van een succesvol kunstenaar. De droom wordt ingezet als motief om een vriend om hulp te vragen. Maar de hulp die gevraagd wordt is niet ‘voor de kunst’ maar voor het succes ervan.

Deze omkering is symmetrisch: waar voorheen de artiest zijn vrienden kon melden dat hij inmiddels zo ‘succesvol’ is geworden in zijn kunstenaarschap dat hij het hoogste podium heeft bereikt, vraagt hij nu aan de vriend om hem te helpen naar dat podium te klimmen. De vraag die overblijft is wie hij straks moet vertellen dat hij op dat podium staat zodra zijn vriend hem heeft geholpen op het podium te klimmen.

Kunst met grote K

Het Latijnse woord ars heeft van oorsprong twee betekenissen die in onze cultuur later uit elkaar zullen worden gehaald. Aan de ene kant gaat het om een vaardigheid (we zien dat nog terug in ons pejoratieve woord ‘kunstje’) of een beroep. Aan de andere kant gaat het om de ‘vrije kunst’, ofwel de vaardigheid die is vrijgesteld van het voorzien in het levensonderhoud. De kunstenaar met grote K kan zijn vrijheid gebruiken om boven zichzelf uit te stijgen. De voorwaarde hiervoor is dat hij voldoende bemiddeld is om voldoende vrije tijd te hebben om zich hieraan te kunnen wijden.

Vandaag herkennen we dit onderscheid nog altijd: de Kunstenaar met grote K maakt aanspraak op genialiteit en charisma. Zijn producties vinden hun meerwaarde niet in hun gebruikswaarde, maar in het geestelijke niveau. Een timmerman, toch zeker ook een vaardigheid, maakt geen producten die de gebruikswaarde overstijgen en kan dan ook geen aanspraak maken op genialiteit of charisma. Er bestaan ook kunstenaars die enkel de gebruikswaarde – vermaak – in rekenschap brengen. Zij moeten immers van hun kunstenaarschap leven. Zij zijn geen Kunstenaars met een grote K, maar artiesten die entertainment verkopen.

Het verschil tussen de kunstenaar en de artiest wordt verder gemaakt door twee tegenstrijdige verlangens die in elk mens aanwezig zijn: het streven om te excelleren tegenover het streven om ‘met rust gelaten te worden’. De kunstenaar wordt voorzien in zijn bestaan en heeft enkel tijd en ruimte nodig om zijn werk te ontwikkelen, ontplooien en laten gedijen. De artiest moet zijn plek veroveren in de  groep en zal  zijn kleuren moeten laten zien en concessies doen ten opzichte van zijn eigen vrijheid. Een vraag die je zou kunnen stellen is: waarom zit iemand in een bandje? Hijzelf zal zeggen: voor de muziek natuurlijk. Maar zou dat werkelijk het geval zijn, dan had het geen zin om van muzikant te veranderen in crowdfunder. Een crowdfundende muzikant verraadt zijn dubbele agenda die eenvoudig te maken heeft met de noodzaak uit te willen blinken. Ieder mens kent de noodzaak om te excelleren, en te investeren in je eigen imago.

Oogsten

Dat kan onzichtbaar: op zolder repeteer je eindeloos dezelfde nummers op je elektrische gitaar, en na vijftien jaar lang hard zwoegen komt er vanzelf een moment van excelleren, zodra er een culminatie plaats vindt op een open podium in een nabijgelegen buurthuis. Als vriend kun je dit soort momenten bijwonen, en dat is in principe ook de bedoeling: zodra een vriend excelleert wordt de vriendenkring uitgenodigd, krijgt hij een kans om zijn imago te ventileren en vindt er een herwaardering plaats van zijn imago. Voor deze herwaardering is het cruciaal dat de vriend in zo’n geval niet deelgenoot is van de gemaakte stappen; de imago dient zich spontaan aan de vriend voor te doen. Dat is een zeldzaam moment van oogsten.

De crowdfunder maakt dit proces per ongeluk transparant: zijn vraag maakt ons deelgenoot van de wijze waarop hij zijn imago verwerft, sterker nog, wij verhouden ons tot dat imago als investeerders. Dat imago kan nog wel afstralen op derden, maar is voor de investeerder zelf definitief uitgewerkt. De investerende vriend verhoudt zich nu vooral tot degene op het podium in termen van trots; in die zin lijkt het eerder op de verhouding die de vader heeft tot zijn zoon zodra hij komt kijken naar het schooltoneel; hij heeft zijn vriendschap in zekere zin ‘gecasht’: het eigenbelang dat je hebt bij een vriendschap en dat normaal gesproken onuitgesproken blijft, wordt nu verzilverd.

De crowdfunder gebruikt beide rollen (de artiest die wil excelleren, en de kunstenaar die met rust gelaten wil worden) te pas en te onpas door elkaar, al naar gelang het hem het beste uitkomt. Hij pretendeert kunstenaar te zijn, iemand die met rust gelaten wil worden, maar dat is slechts zijn middel; zijn doel is om succes te verwerven ten opzichte van andere mensen.

Dit lijkt dan ook een fundamenteel probleem te zijn van de kunst in onze tijd, wat in crowdfunding zeer duidelijk tot uiting komt. Het doel van de kunstenaar zou immers de kunst moeten zijn, het middel hiertoe is het harde werken. Een bijkomend gegeven kán het succes zijn, maar dit is niet noodzakelijk. Ook al verdient de kunstenaar nooit een rode cent, dan nog is zijn missie geslaagd. Tegenwoordig lijkt succes voor kunstenaars bijna een grondrecht. Succes is een plicht geworden en dat geldt trouwens niet alleen voor kunstenaars. Wie kunstenaar wordt, omdat hij bijvoorbeeld leuk piano kan spelen, gebruikt de kunst vervolgens als middel om een ander doel, het succes, te bereiken.

De aspirant-kunstenaar wordt hierdoor zelf slachtoffer van een soort cognitieve dissonantie: net zoals de keizer wanneer hij maar lang genoeg te horen heeft gekregen dat hij kleren aan heeft zichzelf niet meer naakt want, zo ook zal de kunstenaar zichzelf enkel in zijn streven laten bevestigen door uit de romantiek ontleende kunstenaarsfrasen zoals ‘ik heb een wens’, ‘bloed zweet en tranen’, of het latere l’art pour l’art. Maar kunst-voor-de-kunst, dat is het juist níet meer: het is kunst voor het succes geworden.

Bij vrienden wordt charisma ontleend om zélf te kunnen stralen. De inhoud is niet meer van belang – want elke vriend honoreert de kunsten van zijn vriend als bij hem beroep wordt gedaan op de ondersteuning van zijn prestaties en de vraag om kritiek te leveren wordt uitgesteld. Hoewel succes oorspronkelijk geen noodzakelijke voorwaarde was om kunstenaar te zijn, is het nu zelfs een voldoende voorwaarde geworden.

Mana

Een vriendendienst is niet eenvoudig te definiëren. Het lijkt alsof we hier te maken hebben met iets wat in animistische culturen ‘mana’ of levenskracht wordt genoemd. Wie veel magische krachten verzamelt, wordt een tovenaar. In onze onttoverde wereld is de tovenaar diegene met het meeste charisma, zoals de deelnemer aan een Idolscompetitie of de politicus met veel moreel gezag. Deze mensen ontlenen hun charisma aan het respect die ze van anderen krijgen, de mana. Het voordeel van verlenen van respect is dat je dicht in de buurt komt te staan bij iemand die zoveel mana heeft opgebouwd dat zijn charisma van hem afstraalt en je hier mogelijk iets van zult ontvangen.

Bij vriendschappen heeft mana een symbolische functie. ‘Ik respecteer jou als jij mij respecteert’ is in die context een veelgehoorde boutade. Je verleent je vrienden respect, mana, mogelijk zelfs door een symbolische financiële bijdrage. Je doet dit onvoorwaardelijk, hoewel het toch belangrijk is dat je op gepaste tijden ook weer mana terug krijgt, anders groeit de verhouding scheef. Facebook heeft de werking van mana met de ‘vind ik leuk’-knop uitstekend begrepen; de werking ervan toont eenvoudig waarom er op Facebook dan ook helemaal geen behoefte is aan een ‘vind ik niet leuk’- knop.

Hoe twee vrienden zich precies verhouden tot elkaar waar het gaat om abstracte waarden wordt kundig uitgewerkt in het essay ‘Schuld’ van David Graeber. Om te beginnen ontzenuwt Graeber de mythe van de ruilhandel. Het idee, dat ons van kinds af aan wordt aangeleerd, van de ene man die aardappelen heeft maar geen kippen en de andere man die kippen heeft maar geen aardappelen, waardoor ze een transactie aangaan waarbij een verdeelsleutel wordt bepaald (bijvoorbeeld één kip is tien kilo aardappelen), is een vals beeld van ruilhandel. Graeber stelt:

Tot op de huidige dag is niemand ooit in staat geweest een deel van de wereld aan te wijzen waar de normale praktijk van economische transacties tussen buren de vorm aanneemt van ‘ik geef je twintig kippen voor drie koe’ (…) Alle beschikbare etnografische gegevens doen vermoeden dat er nooit zoiets heeft plaatsgevonden.

Hoe moeten wij ruilhandel dan voorstellen? Graeber doet een poging om aan de hand van verschillende bronnen en scenario’s op verschillende tijden en locaties wereldwijd de waarschijnlijke realiteit te benaderen.

Schuldconstructie

Een directe ruil van goederen met de bedoeling er beter van te worden is normaliter iets wat je doet met mensen om wie je niet geeft en die je niet verwacht weer te zien. Welke reden heb je dan om zo iemand níet te benadelen? Als je daarentegen wel voldoende op iemand gesteld bent – bijvoorbeeld in het geval van een buurman of een vriend – om open en eerlijk met hem om te gaan, zul je onvermijdelijk ook genoeg om hem geven om rekening te houden met zijn persoonlijke behoeften, verlangens en omstandigheden. Zelfs als je iets met hem zou ruilen, zou je de ruil waarschijnlijk inkleden als een geschenk.

De man met de kippen heeft de man van de aardappelen op bezoek en het zijn goede vrienden (in het fictieve voorbeeld van Graeber zijn het Henry en Joshua). Daarom biedt Henry Joshua een van zijn kippen aan als geschenk. De volgende keer, als Henry op bezoek is bij Joshua krijgt Joshua een zak aardappelen mee. Beiden benadrukken dat zij er absoluut niets voor terug verwachten, maar zolang Henry meer heeft gegeven dan ontvangen staat Joshua impliciet bij hem in het krijt. Mensen weten maar al te goed aan wie ze welke producten hebben geschonken en in hoeverre zij daardoor een schuldconstructie uit hebben staan bij de ander, en wat ze daarvoor terugverwachten (vriendschap, andere producten, een unieke belevenis of fijne tijd). Merk daarbij op dat geen enkel product zonder geld een-op-een met een ander product te vergelijken is, waardoor de asymmetrie en macht-schuld-constructie nooit definitief op te heffen is. Uiteindelijk stelt Graeber dat

het probleem van het ‘wederzijds samenvallen van behoeften’ (…) zich domweg niet voor (blijkt) te doen. Misschien heeft Henry niets dat Joshua op dit moment nodig heeft. Maar als zij buren zijn komt er zeker een moment waarop dat wel het geval is.

Mensen doen kortom constant een beroep op elkaars diensten, niet tegelijkertijd, maar juist door slim gebruik te maken van tijd als flexibele factor – in tijden van welvaart kan je wat missen, en in tijden van schaarste kan je kijken wat je links of rechts nog uit hebt staan. Op deze manier is ruilhandel bedreven, in alle tijden, op alle continenten, en we kunnen deze simpele voorbeelden perfect herkennen in ons eigen leven. Deze vorm van ruilhandel doet zich steeds opnieuw voor in kleine gemeenschappen, dorpen en subculturen, kortom binnen gesloten systemen waar geld, hoewel aanwezig, niet per se noodzakelijk is om tot een bevredigende deal te kunnen komen.

Het gaat wat ver om dit voorbeeld één-op-één te vertalen naar de huidige situatie. Iemand die kip of aardappels nodig heeft, gaat eenvoudig naar de markt, speciaalzaak of supermarkt. Toch kent ook onze tijd nog genoeg grijze gebieden. Als je moet verhuizen en je hebt geen rijbewijs dan ben je eenvoudigweg aangewezen op de gunst van derden. Je kan natuurlijk de verhuizing uitstellen en je rijbewijs halen, maar veel eenvoudiger is het om een paar vrienden te vragen om een gunst of vriendendienst.

Seeders en Leechers

Tegenwoordig zien mensen in dat het geven van mana een zeer goede investering is. Nieuwe gemeenschapsnetwerken worden opgezet, waarin eten wordt gedeeld (Thuisafgehaald.nl) bij elkaar kan worden geslapen (couchsurfing.com) of meegelift kan worden (mitfahrgelegenheit.decovoiturage.fr, …). De symbolische vriendendienst – de lift, het eten, de verblijfplaats – wordt nu verleend aan de niet-vriend, wat zorgt voor een wereld waarin overvloed regel is en tekort uitzondering. Het is niet meer nodig om symbolische mana enkel uit te wisselen met vrienden, je kan dit gerust met iedereen doen.

Maar bij crowdfunding gebeurt het omgekeerde. De mana wordt iets waar je blijkbaar beroep op kunt doen als het je uitkomt. Waar de nieuwe gemeenschapsinitiatieven zorgen voor een zeer grote aanwas van seeders, mensen die uitgaan van het overschot en hun diensten aanbieden, groeit evenzeer de groep leechers aan, mensen die gebruik maken van de diensten. Crowdfunding is voornamelijk een systeem van georganiseerd leechen. De basis is een economie van het tekort en dit klopt ook aangezien moet worden aangeklopt bij degene van wie je sowieso als laatste een dienst vraagt, omdat je ’m er altijd het eerst van zult krijgen: je vrienden.

Waar aan de ene kant van het spectrum het aantal mensen met wie je een symbolische uitwisseling van mana hebt sterk is uitgebreid, is het aantal échte vrienden dat geen deel uitmaakt van een economische uitwisseling van mana ineens sterk afgenomen, omdat je je permitteert van vrienden te vragen wat vroeger was voorbehouden aan een economisch domein.

De crowdfunder doet een beroep op de gift waar hij in feite vraagt om een gunst. Op de site www.voordekunst.nl worden wederdiensten aangeboden. Deze bevestigen de constructie van gunst en wedergunst: jij doet iets onvoorwaardelijks voor mij en in ruil doe ik iets terug; het aanbod van wederdiensten geeft prijs dat waar de crowdfunder meent te vragen om de gift van een vriend, hij feitelijk een gunst krijgt van een niet-vriend.

Vriendschap en kameraadschap

In Over de romankunst wijst Milan Kundera op een cruciaal verschil tussen vriendschap en kameraadschap: waar vriendschap in essentie een onvoorwaardelijke constructie is, is de kameraadschap een voorwaardelijke constructie. Een gift krijgen van een vriend is dus iets wezenlijks anders dan een gift krijgen van een kameraad. En hoewel de schuldconstructie in beide gevallen blijft gelden, kan deze in de variant van de vriendschap eenvoudig blijven voortbestaan (je kan iemand iets schenken ter bestendiging van die vriendschap als zodanig, los van de uitstaande schuld), terwijl de kameraadschap streeft naar een status-quo van vereffening. Vraagt de crowdfunder geld zonder te weten wie zijn kameraden zijn en wie zijn vrienden (wat in het geval van Facebook ambigu geworden is), dan kan er een lastig schuld- en vereffeningsproces volgen waarbij de crowdfunder al snel alle zeilen bij zal moeten zetten om zijn schulden te kunnen voldoen. Een kameraad die de crowdfunder gesponsord heeft kan tegelijk de uitstaande impliciete schuld misbruiken door een beroep te doen op de zogenaamde vriendschap: zolang de schuld nog niet vereffend is kan hij zich gedragen als zijn vriend. Dat hij dat in feite niet is lijkt voor de crowdfunder een blinde vlek te zijn geworden, en deze zal zich pas openbaren zodra de schuld wordt teruggevorderd; maar dan is het te laat.

Op deze wijze ontstaat er bij elk nieuw crowdfundproject een bizarre dynamiek tussen vrienden, schijnvrienden en kameraden waar de crowdfunder per definitie meer investeert dan hij ooit terug zal kunnen krijgen – een ironische positie, gezien zijn ambitie om zijn invloed te vergroten. Waar hij aan de ene kant moet oppassen door zijn vriendschappen te verzilveren dat hij zijn mana niet opgebruikt voordat hij er überhaupt iets aan heeft gehad en bovendien riskeert deze vriendschappen onherstelbaar te verminken, moet hij aan de andere kant oppassen dat hij zijn kameraden niet verwart met nieuwe vrienden, die hij onvoorwaardelijk – wánt vriendschappelijk – geschenken biedt waar hij nooit meer iets voor terug krijgt; per saldo is zijn potentiële verlies aan mana als hij niet oppast meer dan dubbel zo groot als de gevraagde investering.

Iedereen wordt steeds meer verplicht een idool van zichzelf te scheppen. Iedereen wordt vervolgens afgerekend op het succes of het gebrek daaraan van zijn of haar idool. De mana die noodzakelijk is voor succes is echter schaars en vluchtig. We moeten ons in steeds wildere bochten wringen om even van de mana en het succes te kunnen proeven. Enkele minuten laten verliezen we echter weer de gunst van de massa.

Makkelijk excuus

Crowdfunding gebruikt de massa die je zelf kan opbrengen, zoals vrienden en familie, om even mee te kunnen spelen in het verlangen naar manadoping. Het sprookje dat de aspirant-kunstenaar zich voorhoudt, waar een sterke cognitieve dissonantie voor nodig is, moet worden uitgedragen naar de vrienden, om de uitverkoop van het kunstenaarschap te legitimeren. Van ‘echte vrienden’ verwacht je dat ze je wijzen op deze illusie, maar elke kritiek wordt ondergesneeuwd door de mana die ontvangen wordt van de halve vrienden die in je gunst willen komen. Van wiens geld?

Je vraagt aan je vrienden of je mag blijven slapen, maar je vraagt niet dat zij instaan voor je levensonderhoud (tenzij voor een korte periode in een uitzonderlijke situatie). Wanneer de crowdfunder het geld gebruikt voor zijn eigen verloning, hoe kan hij jou dan nog een biertje aanbieden na afloop van de activiteit, zodra jij die activiteit hebt helpen financieren? Van wiens geld geeft hij dat biertje dan eigenlijk?

Van vrienden krijg je belangeloze waardering, je mag de stofzuiger lenen als de jouwe kapot is. Je mag echter niet je imago aan je vrienden ontlenen, want dan is de relatie niet belangeloos. Zoals je van vrienden een stofzuiger leent, vraagt om hulp bij verhuizen, of een lift krijgt aangeboden, zo kun je crowdfunding ook gebruiken voor het realiseren van grote projecten. Dat geld moet echter wel bedoeld blijven om de mogelijkheidsvoorwaarden van je beoogde onderneming te stellen. De grens ligt daar waar het geld gebruikt wordt voor verlonen van de diensten, het vergroten van je bereik, of het streven naar een goed imago.

Ondanks de enorme kansen die de voorstanders in crowdfunding zien, lijkt het een makkelijk excuus voor de Halbe Zijlstra’s op deze wereld om mensen zichzelf wijs te laten maken dat ze iets anders zijn dan ze zijn. Aangezien succes meer en meer het doel wordt en ‘vrijgesteldheid’ wordt afgeschaft – terwijl dat juist het wezen uitmaakt van het kunstenaarschap – verliest alle kunst zijn mogelijke waarde en moeten kunstenaars parasiteren op hun meest waardevolle en persoonlijke kapitaal: de mensen om hen heen. Op deze manier worden kunstenaars verplicht hun vrijheid te ontlenen bij de eigen vrienden, wat niet alleen een enorme vernedering is, maar bovendien ten onrechte wordt voorgesteld als een houdbaar economisch cultuurmodel.