Vlak na de dood van David Bowie ontpopte veel stukjesschrijvers zich tot letterkundige. Als bezetenen begon men naar literaire sporen te zoeken. ‘Look at me, I’m in heaven.’ Zou hij misschien… naar zijn naderende dood verwijzen? Ik blader even door de negen pagina’s tellende bijlage van het NRC van 12 januari:

  • Artikel 1. ‘Het titelnummer Lazarus – de nieuwe single – is op dit moment alleen nog maar intens persoonlijk en droevig op te vatten: ‘Look up here, I’m in heaven.’
  • Artikel 2. ‘Nu zijn de talloze verwijzingen naar zijn ziekte en de dood op het sombere album onontkoombaar. Zo zijn de eerste zinnen van Lazarus: ‘Look up here, I’m in heaven.’
  • Artikel 3. ‘Look up here, I’m in heaven’, is de eerste regel van Lazarus, David Bowies nieuwe single van het album dat afgelopen vrijdag uitkwam. (…) In de clip bij Lazarus komt dezelfde geblinddoekte Bowie voor. (…) Ook de tekst laat niets te raden over. In het merendeel van het nummer zingt Bowie nog: ‘Look up here, I’m in heaven.’

Negen pagina’s tekst en iedereen komt met hetzelfde fragment tot dezelfde conclusie. Hetzelfde gebeurt op Facebook en Twitter, in specials van andere kranten en in de landelijke talkshows. Ik zou de algemene strekking van al deze stukken als volgt willen samenvatten: in aanloop naar zijn naderende dood, waar hij tegenop zag, verstopte Bowie ook in zijn nieuwste werk, vlak voor hij stierf, allerlei hints en knipogen, waaruit blijkt dat hij zelfs zijn dood tot op de millimeter heeft geregisseerd. Hoewel ook ik een zeer groot fan en bewonderaar van Bowie ben, en het enthousiasme over werk en werkwijze deel, vermoed ik hier toch een misverstand over kunstenaarschap die ik graag wil rechtzetten.

In dezelfde stukken lees ik dat Bowie echt niet dood wilde en er zeer tegen opzag. Doodsangst en controledrift gaan zelden honderd procent samen. Op het moment dat Blackstar uitkwam was hij alweer bezig met het ontwikkelen van nieuwe muziek. Hij wilde niet dat dit de finale zou zijn. Als het aan hemzelf lag ging het leven gewoon door.

Aannemelijker vind ik het beeld van een piekeraar, dan weer manisch en levend in ontkenning, zijn erfenis tot in de puntjes verzorgend, en dan opeens weer twijfelend, apathisch of lethargisch. Zoals hij zichzelf drie jaar geleden stileerde op het album The Next Day:

You never knew that
That I coud do that
Just walking the dead

Wie had dat gedacht, hoor ik hem hier zeggen, een gedachte gericht aan zichzelf en aan de ander, zijn naasten of wij liefhebbers; wie had dat gedacht, ik hier, oud en verlaten door eenzame straten, de levende dood, een doodlopende straat inwandelend, de dood lopend, of de dood tegemoet lopend, zonder uitzicht; dat had je niet verwacht hè, ik de vitale en energieke rockster, die ooit nog zei dat-ie voor zijn dertigste spetterend zou sterven, that I can do that: walking the dead, dat ik ‘m überhaupt zou kunnen, dat het erin zit, dat ook ik ‘m kon, dat ook ik ‘m in de benen heb. Er zit ironie in deze toon, spot en zelfspot, en ook tragiek, want hij heeft het ook tegen zichzelf – waar ben ik in godsnaam gebleven – terwijl hij de plaatsnamen van weleer opsomt, locaties in Berlijn, fingers crossed just in case, want je zou maar overreden worden, en dat terwijl ik hier zit te schmieren met mijn eigen dweperige ellende.

De cover van het album is de afbeelding van “Heroes”, in de jaren zeventig in diezelfde stad opgenomen, met bruut daaroverheen geplakt een wit vlak met daarop de tekst: The Next Day. Zie hier het spel dat Bowie speelt, een spel vol dubbele bodems. Where are we now? Hij is er, en hij is er niet. Om te besluiten met de mededeling:

As long as there’s sun
As long as there’s rain
As long there’s me
As long there’s you

Tien jaar was hij van het podium verdwenen, om voor het eerst weer op te duiken met deze ontroerende, oprechte opsomming: zolang de zon maar schijnt, zolang de regen nog valt, zolang er een ik is en zolang er een jij is. Zonder spot, schaamteloos transparant, woorden waarvan je zou willen dat je ze ooit zonder ironie uit je strot kreeg: het doet er niet toe, zolang ik er maar ben en jij. En meteen zodra je erin trapt en denkt dat het plantje Bowie vegeteert zoals de schrijnende projectie in de begeleidende videoclip, straalt hij als rockster in de volgende video, zingend:

Stars are never sleeping
Dead ones and the living

They watch us from behind their shades
Gleaming like blackened sunshine

Opeens klinkt hij vitaler ooit, alsof hij nooit is weggeweest en weet dat hij tegelijk nooit meer zal verdwijnen, een vast onderdeel is van de wereld boven ons, een dode ster zwevend boven het gepeupel, op ons neerkijkend vanuit de schaduw. Terwijl sterren, doorredenerend, ook weer hemellichamen zijn die niet meer bestaan op het moment dat wij ze waarnemen.

Bowie als zanger die ook zijn eigen dood tot in de puntjes regisseert? Ik wil het maar niet zien. Een regisseur is een neuroot. Hij regelt de dingen en behoudt alle controle. Hij moet hele grote beslissingen nemen, de instituties overzien, voors en tegens afwegen en het overzicht bewaren. Een compromis vinden in dienst van een coherent eindproduct.

Bowie speelt eerder met de rafels van zijn wereld. Veel eerder zie ik hier iemand die elk moment opnieuw met het moment zelf speelt, omdat hij elk moment ziet en weet hoe hij er een draai aan kan geven. Iemand die in zijn hoofd de vrijheid heeft gevonden om in elke situatie, per situatie, open te staan voor het aanbod van het hier-en-nu, niet alleen op die paar cruciale uren van een dag, van de week, wanneer de lichten op hem gericht staan, maar altijd, in voor en tegenspoed, gewoon omdat het zijn tweede natuur is; ook als hij zijn videoclip overlegt met de regisseur of aan de telefoon hangt met zijn ontwerper, of in de kleedkamer moet wachten op een optreden. ‘Misschien moeten we voor de grap een schedel neerleggen’; ‘zal ik anders gewoon twee knopen op mijn ogen leggen als symbolische verwijzing’; ‘misschien moet ik dit keer juist niet op de cover van het album’; ‘ik zat zelf te denken aan alleen maar het plaatje van een zwarte ster.’

Het lied Under Pressure met Freddy Mercury, las ik deze week, is ontstaan uit verveling tijdens het opnemen van een heel ander nummer. Bowie zat te draaien op zijn stoel en zei: laten we anders gewoon in 24 uur een nieuw liedje maken. Hij ervoer zijn leven als een trip; elk moment kon verbogen worden. Overal zag hij speling, mogelijkheden; hij zag van alles de speelmarge.

Hij maakte niet alleen kunst maar leefde zijn werk en dit was exemplarisch voor de kunstenaar. Wie van zijn naderende dood zowel tragiek als ironie inziet, en daarmee de mogelijkheid om ermee te spelen, heeft niet de touwtjes vast, is niet regisseur, maar heeft zijn ogen open; weet hoe hij moet zijn. Wie openstaat ziet wat kan en wat niet, kan alles benoemen en ironiseren en tegelijkertijd oprecht zichzelf blijven via zijn verschillende rollen, of stemmen, of buien, of stemmingen, dwars door de tijd heen, vijftig jaar lang op dezelfde manier volstrekt anders.

Het talent van David Bowie is niet zozeer zijn zangstem. Hij heeft een uniek geluid – maar dat kan je van veel mensen zeggen. Het is ook niet de manier waarop hij vorm gaf aan verschillende rollen, uiterlijkheden of alterego’s. Dat is slechts de manifestatie ervan naar buiten toe, oftewel hoe het zich voor onze ogen ontvouwt. Zijn specifieke talent is iets dat voor iedereen voor het oprapen ligt terwijl velen er blind voor zijn. Het is de kunst van adaptatie: een openheid naar wat er om je heen gebeurt, het zicht op de mogelijkheden in dat specifieke moment, steeds opnieuw je ertoe te verhouden, het naar eigen inzicht te herbuigen, je hele leven lang, vanuit een inherente openheid naar je directe omgeving.

Iedereen kan het en hij deed het. Dat is eenvoudig het talent van David Bowie.