Het bijzonder humoristische liedje Ladies (1977) van de Amerikaans art-popband Sparks omschrijft verrassend accuraat, op een voor Sparks gebruikelijke ironisch-satirische toon, de mannelijke blik op de vrouw. De eerste twee coupletten worden, op een schijnbaar nonchalante manier, gedecoreerd met een handvol beroemde dames:

Ladies, Ladies
On the sofa next to me
Are Dinah Shore and Sara Lee

Ladies, Ladies
In the backyard climbing trees
Are Princess Grace and Margaret Meade

Maar dan komt opeens de vrouw van de verteller thuis, en blijkt dit met vrouwen versierde zwart-wittafereel een dagdroom te zijn die hij vlug wegmoffelt achter zijn brede glimlach, waarna hij hoffelijk zijn enige ware thuis een warm welkom heet:

And you pull in the driveway
You’ve been out shopping
I’ve got a hide them
Hide all you ladies
They nod and smile
They’re disappearing
And they fade out now
And welcome home my only lady, my only lady

Ook in het tweede en derde deel komen verschillende dames voorbij: Jackie Kennedy poedert haar neus, Lois Lane is te laat, Eva Braun tapt moppen, Joan of Arc zit een beetje te roken, Betty Crocker staat in de keuken een taart te bakken en Dolly Parton drijft rond in het zwembad. De verteller belt enthousiast zijn vrienden op en zegt: ‘er zijn meisjes!’ waarop de mannen gretig antwoorden: ‘we komen er direct aan!’ Maar zodra de dames hem horen verdwijnen ze wederom zodat de mannen, eenmaal gearriveerd, verbaasd vragen waar al die dames toch zijn gebleven waarover hij het zojuist had.

In het derde en laatste deel ventileert de verteller zijn interne logica:

They’re really great in person
They get me going
But I’m not pushy
Don’t want to blow it
‘Cause if I blow it
They start a-fading
Come back my ladies
Where would I be without my ladies?

Het beste zinnetje staat in deze laatste reeks aforismen: They’re really great in person. Oftewel, ze zijn ook echt geweldig als je eens de moeite zou nemen om er eentje persoonlijk te leren kennen. De opmerking verraadt de generaliserende blik: de verteller is niet zozeer bezig met een specifieke dame, of überhaupt met de vrouwen om hem heen, hij is bezig met vrouwen in het algemeen, de vrouw als zodanig, de vrouw als fenomeen, de vrouw als concept. Dat blijkt al uit de meervoudsvorm: waar zou ik toch zijn zonder mijn dames (niet: mijn dame).

Het lied plaatst de dame als fenomeen op een voetstuk, waarbij dame gelezen kan worden als de benaming voor een vrouw met een bepaalde sociaal-maatschappelijke status, maar ook als blijk van een voorzichtig, en met satijnen handschoentjes moeten benaderen – terwijl de dames in het lied tegelijkertijd maar al te gewillig op zijn verzoek om te verdwijnen reageren, knikkend en glimlachend, op een manier kortom waarop enkel wezens in je fantasie zullen handelen.

Dat idee, de vrouw als concept, is in het hele lied voelbaar: als hij een feestje geeft vertelt hij niet welke dames er zullen zijn, het volstaat om het feit dat er überhaupt dames aanwezig zijn af te roepen. Het maakt hem feitelijk niet zo uitmaakt wie, zolang de aanwezigheid van dames maar gegarandeerd wordt. Dat blijkt ook uit de bonte opsomming van willekeurige beroemdheden uit alle tijden, alsof de zwart-witfoto van het feest aan waarde wint al naar gelang de status van de vertegenwoordigde dames – niet zozeer wie, wederom, maar wat ze in sociaal-culturele zin hebben betekend.

Allerlei paradoxen tussen man en vrouw (vanuit het perspectief van de man) komen in sneltreinvaart voorbij in het lied: de man verlangt naar een vrouw met een bepaalde status, de man is afhankelijk van deze vrouwen waarnaar hij hartstochtelijk verlangt, maar als zijn eigen meisje in de buurt is verbergt hij dit verlangen en verleidt hij haar te geloven in zijn slaafse trouw, hij is nederig en hoffelijk, en plaatst haar op een voetstuk. Maar uit het lied als geheel blijkt ook dat hij zijn eigen status  ziet als ver verheven boven haar, kruiperig laag maar tegelijkertijd torenhoog, hij is de dirigent of regisseur van het geheel, hij geeft het feestje en drapeert er naar hartenlust een handvol verveelde dames overheen.

De vertegenwoordigde dames voldoen stuk voor stuk aan clichés uit de jaren vijftig, ze liggen in sofa’s en roken een sigaretje (ontspannen zich) of klimmen in bomen (zijn speels), poederen hun neus (maken zich op), of bakken taart (staan in de keuken), hangen in het zwembad (zijn sensueel) of gedragen zich cool (spelen een spel). Ze zijn noodzakelijk voor elke sociale context – maar kom je te dichtbij dan zullen ze weer verdwijnen. Vooral de absurditeit van dit beeld, they start a-fading, wat in het lied letterlijk wordt genomen, vangt precies de paradox: de man die het evenement met zijn geld en status ‘wel even zal regelen’, vervolgens het gebeuren met dames drapeert, maar ook weer niet te dichtbij kan komen omdat waarnaar hij het allermeest verlangt dan in rook op zal gaan.

Maar dat is het hele spel, het is de motor van zijn handelen en het houdt hem op de been. Dat het geheel een fantasie is blijkt meteen al uit het eerste couplet: zodra zijn eigen vrouw eraan komt vraagt hij de dames om te verdwijnen en ze knikken en glimlachen gewillig. Het lied toont, beter dan veel andere liedjes over vrouwen gezongen door de man, een herkenbare zienswijze van de man op het fenomeen vrouw. Het ideale decor van de man bestaat uit een willekeurige greep fantasiedames. Het doet er in feite niet toe wie ze zijn zolang hij maar kan geloven dat hij tussen al het vrouwelijk schoon en alle rondtollende aandacht het centrale middelpunt mag zijn die er hopelijk aan het eind van de avond ook nog eentje versiert, zodat zijn ego weer even kan gloeien.